www.loosjes.nl
Home
troonrede
Blikken koets
Obstakels
Staatsrecht
Patiëntendossier
About democracy
Freedom of Education
Creative financing
Saboterende overheid
Leerplichtwet 2008
Innovatieverbod
Belastingliberalisatie
Europese Grondwet
Ostende,1781
Publicaties
Contact
____
<<     Pagina 102 van de 136     >>


35. Democratie

Quatorze juillet 2008


Als definitie van "democratie" worden vele gemeenplaatsen aangedragen. Het zou gaan om een contrat social en om een volonté générale (Rousseau), om een rechtsstaat, of om een bestuur "door het volk en voor het volk" (Abraham Lincoln). Dus bij voorbeeld "een staatsvorm gebaseerd op de wil van het volk zoals die bij monde van haar vertegenwoordigers tot uitdrukking wordt gebracht." Als we ons realiseren dat Adolf Hitler in januari 1933 onder de vigeur van een zodanige impliciet en algemeen aanvaarde definitie op legale wijze aan de macht kwam, dan wordt het tijd die definitie te herzien. Ten eerste omdat het respect voor minderheden niet mag ontbreken en ten tweede om machtsconcentratie te voorkomen. Dit waren de punten waarop het fascisme zich duidelijk van de democratie distanciëerde. Het fascisme hanteerde immers een ideaalbeeld aan normen en waarden van een bepaald soort (arische) mens en richtte zich via en piramidale structuur op een concentratie van macht in de vorm van de Führer.
Inmiddels drijft de democratie opnieuw in diezelfde richting af. Niet vanwege de islam, zoals de regering beweert, maar veel erger: door onze regering zelf. Dhr. Tjeenk Willink spreekt in het jaarverslag van de Raad van State over afbrokkeling van de legitimiteit van ons staatsbestel, en met name over a) regeeraccoorden die het debat frustreren en b) over het ontstaan van een "tussenlaag van deskundigen en rekenmeesters", iets waar Alain-Gérard Slama in 1993 al uitvoerig voor waarschuwde. Tjeenk Willink spreekt daarom schoorvoetend over de behoefte aan "ontknoping van representatie en bestuur". Ik ben bereid het op te vatten als een bescheiden pleidooi voor functionele scheiding, merkwaardig genoeg afkomstig van een adviesorgaan ("College" genoemd) dat zelf gezien zijn dubbelfunctie als wetgevingsadviseur en rechtspreker toch wel enige boter op het hoofd heeft.
Als vervolg op column nr. 34 stel ik een andere definitie voor van de term democratie; geen beschrijvende, dat lijkt me zinloos, maar een normerende definitie: "een staatsvorm gebaseerd op 1° eerbiediging van het subsidiariteits-beginsel, en gericht op 2° gelijke kansen voor een ieder, 3° een staatsvrij cultureel leven, 4° scheiding van recht en economisch belang, 5° een onafhankelijke rechter, 6° scheiding van wetgever en bestuur, 7° samenstelling wetgevende macht volgens evenredige vertegenwoordiging, opdat, 8° het individu, en daarmee de samenleving als geheel, zich in vrijheid kan ontwikkelen."
Punt 1 - de staat handelt alleen waar nodig - is in 1991 in de encycliek "Centesimus Annus" van Paus Johannes Paulus II, Karol Wojtyla, onder paragraaf 48 kernachtig toegelicht: "Door direct in te grijpen en aan de maatschappij haar verantwoordelijkheid te ontnemen, veroorzaakt de verzorgingsstaat het verlies aan menselijke krachten en de overdreven vermeerdering van de overheidsapparaten, welke meer beheerst worden door bureaucratische logica dan door de zorg om de gebruikers te dienen" waarna de Paus wijst op de enorme groei van de uitgaven die er het gevolg van is. Punt 2 en 7 zijn de klassieke vereisten zoals wij die aan een democratie stellen. Punt 3 gaat verder dan een simpele scheiding van staat en kerk (c.q. sjoel of moskee), het wijst vooruit op de vrije ontplooiing; punt 4 slaat terug op de gelijke kansen daartoe. Aldus zit in punt 3 en 4 Steiners sociale driegeleding (diens trias organica) verpakt. In 5 en 6 zit de leer der machtenscheiding van Montesquieu. Punt 8: Waarom is die vrijheid belangrijker dan de gelijkheid, het letterlijke en figuurlijke artikel 1 van onze Grondwet? Daarop antwoord ik met Albert Camus: "Alleen vrijheid verlost de mens uit zijn vereenzaamd individualisme." Vrijheid om die keuzes te maken die essentieel zijn voor onze ontplooiing als individu; het vindt zijn begrenzing in de vrijheid van de ander, en dat is een kwestie van het strafrecht niet ook van bestuursrecht (punt 3). Ik postuleer mijn definitie van het begrip democratie als antwoord aan Carla Zoethout (Mentink-bundel, 2008). Zij gelooft in onze regering. Ik niet. Niets is m.i. gevaarlijker dan het vertrouwen op een politieke "elite"; daar bevinden zich onder de hand genoeg Übermenschen die trots zijn op zichzelf. Het verschil tussen gelijkheid en gelijkschakeling negerend, heeft ons Ancien Régime al genoeg centralisme door de Kamer gejaagd.

Uw columnist, V.L.

Print versie (pdf)